beeld

Jarenlang was hij niet van zijn plek gekomen, jarenlang had hij zitten staren, de hand nadenkend onder zijn kin en al die tijd is hij geen spat veranderd. Hij weet zich gewaardeerd door sommigen, niet om wat hij deed, maar om wie hij geworden was. Tegelijkertijd is hij zich bewust van de haat van de volksjongens, de groep waartoe hij eens behoorde, maar jonger dan hij, een andere generatie, de generatie die de de komende jaren de gevolgen van eerder genomen beslissingen aan den lijve zou ondervinden.

Hij wist ervan. Iemand had hem oortjes ingedaan, zijn ogen waren even heen en weer geschoten, maar hij had zich niet verroerd. Er had muziek geklonken, te luid en hij had zich niet kunnen verweren, zoals hij zich evenmin had kunnen verweren tegen het nieuws dat in zijn oren tetterde, verontrustende berichten, elke dag opnieuw tot, na enkele dagen, de batterijen leeg waren.

Hij wist het. Ze zouden een daad willen stellen, een nieuw gevoel creëren, hun macht stellen tegenover de zijne en de zijnen. Symbolisch. En juist omdat zij aanvoelden dat zij niet meer konden doen dan symbolisch handelen, dat hun daad geen enkele invloed zou hebben op het verloop der dingen, was het pure haat die hen zou bewegen hem omver te duwen, achterover, ploep, zo het water in. Zo waren ze, de mensen van nu, hij had het gezien, de agressie in de ogen van de voorbijgangers, de teleurstelling in die van een grote groep demonstranten die zich op een dag onder zijn ogen had verzameld, in de stad waar hij was opgegroeid een ongekend fenomeen. Zwemmen zou hij, met krachtige slagen naar de overkant proberen te komen, maar onder het gejoel van enkele omstanders, lichtelijk aangeschoten op weg naar een discotheek, een kroeg, zouden ze de eerste de beste fiets die niet met een ketting aan een hekje, een lantaarnpaal vastzat, pakken en achter hem aan gooien om hem eronder te krijgen.

Hij wist het. Hij had het altijd al geweten en het is daarom dat hij op de rand van het zwembad zou willen zitten, op de zonnige plek waar hij zich thuis voelt, ver weg van hier en de tenen in het water steken voor hij zich erin zou laten glijden en met krachtige slagen naar de overkant zou zwemmen. In plaats daarvan staat hij op de plek die hij in zijn jeugd had verlaten.
In gedachten bevindt hij zich op een station om weg, ver weg van hier, van dit naargeestige kruispunt in deze naargeestige stad.
Een vrouw in een zwarte jas loopt voorbij. Hij zou haar op de schouders willen tikken, haar vragen hoe het is, hoe het met haar is, met de anderen, zodat hij zou weten wat hem te doen staat, maar toen een kunstenaar hem zijn benen had afgenomen, voorgoed zijn benen had afgenomen en hem op een roze sokkel had geramd, was hij ook zijn kloten kwijt geraakt.

In het water vormen zich kringetjes van regendruppels.