roos

(7/1) Van Beyma Thoe Kingmaweg

Het komt niet vaak voor dat ik in het donker van de vroege ochtend zit te tikken. Het komt door de roos. Meestal ben ik pas na achten op en kom ik langzaam op gang, je zou ook kunnen zeggen dat ik de tijd dan verlummel. De roos staat op mijn bureau, misschien schrijf je buro, zo ja, vergeef mij dan de eau, zeau heb ik het geleerd, ooit en dat ooit betekent dat ik, als een van de laatsten, ook nog met een kroontjespen heb leren schrijven, de vingers blauw. Na afloop van de les veegde ik de pen schoon aan een inktlap, gemaakt van roze stof.
De nieuwssites aanklikken, kijken wat er op facebook staat, voor ik het weet is het tien uur, half elf en heb ik nog niets gedaan. Vandaag was ik al vroeg wakker, met de gedachte aan de roos, ik moest dat opschrijven, dat van die roos. Thuis schreven we allang met een balpen – niemand schreef nog met een kroontjespen – mijn moeder had een vulpen, een groene parker met een gouden punt.
Op mijn bureaublad liggen enkele verdorde blaadjes, als ik er een oppak, knispert het tussen de vingers. Ik weet nog dat zij ze uitdeelde, de juf, ze zaten in een bruin kartonnen doos en ieder kreeg zo’n pen, ik denk dat het er een van het merk bruynzeel was, in ieder geval waren ze blauw.
Ik had de roos schuin afgesneden, misschien komt het daardoor. Later schreef ik met mijn moeders parker, maar dat was pas veel later. En dat de roos in een fles staat zal ook meespelen, geen stenen, glazen fles, van een blauwachtig groene, aan de binnenkant beslagen. De parker had ik op een dag op het dashboard van de auto laten liggen. Door die fles raakt de steel de bodem niet, dat schijnt belangrijk te zijn, dat de steel de bodem niet raakt, bij rozen. De overgebleven pennen kwamen in de kast en pas nadat gecontroleerd was of de pen inderdaad aan vervanging toe was, mocht je er eentje nemen.
Het is zo’n roos met gemene doornen. Het was beslist niet de bedoeling dat je je eigen pen meenam bij deze juf, zij hield van orde en regelmaat, naast de banken staan en dan rij voor rij de klas uit, zo’n juf. Ik kon wel huilen toen ik in de gloeiend hete auto stapte, daar lag de parker. Misschien was het die dag geweest dat Ilse ineens moest huilen, zomaar in de klas moest huilen. De pen was totaal verwrongen.

Ik had hem op het station gekocht, die roos. Je moest aan het knopje bovenop draaien, dan de pen in een potje steken – Quink – weer draaien, de andere kant op, je kon dan door een kijkglaasje zien hoe de pen zich volzoog met inkt. Dat was erg, heel erg, Ilse… huilen… in de klas…
Op maandagochtend in Heerenveen een roos kopen bleek een hele toer. Het ingenieuze zuigersysteem bleek niet meer te werken. Heel, heel erg, voor de juf die absolute stilte eiste… Later had je vierkleurenpennen, dat was een rage, iedereen had er een, ik ook.
Het is een roze roos, die roos op mijn bureau. Toen Ilse alleen maar harder en harder begon te huilen, werd ze de gang op gestuurd. Zilverkleurige pennen, van die dikke, want er zaten vier stiften in.
Andere kleuren hadden ze niet, daar op die vroege maandagochtend op dat station. Het hielp niets, haar de gang op sturen, Ilse’s gierende uithalen drongen door de muren, leidden af van de tafels, het nakijkwerk. Met schuifjes kon je dan een andere kleur kiezen. En ze brulde maar door, Ilse, terwijl juf achter haar lessenaar zat, een geïrriteerde frons tussen de wenkbrouwen. Vier kleuren, rood, blauw, zwart en groen.
Om er zeker van te zijn niet met lege handen te staan, kocht ik de roze. Zij stond op, juf, liep langzaam tussen de banken door, stopte bij de mijne. Tien kleuren had je ook, zulke pennen waren wel zo dik als een winterwortel.
Ik had een witte roos willen kopen of eventueel een rode en bedacht dat er wellicht ergens een winkel open zou zijn waar ik wél zou slagen. Zo’n pen had ik ook wel willen hebben, maar niet omdat ik die mooi vond, ze waren wat grof, die tien kleurenpennen. Mijn schouders verstijfden, want ik was een beetje bang voor haar, voor die juf met haar scherpe blik en de ijzige woorden waarmee ze je terecht kon wijzen. Ik kreeg er geen, wij hoefden niet achter elke mode aan te lopen, vonden mijn ouders en ik had toch al een vierkleuren?
Dus reed ik naar een boerderij waar ze bloemen en planten verkopen, de verkoper nam mij mee naar de koeling. Ik boog mij voorover en deed alsof ik alle aandacht bij mijn werk had, de pen kraste over het papier. Tegenwoordig schrijf ik zelden nog met pen. In de gang hoorde ik Ilse, mijn mooie vriendinnetje, het meisje met de lange vlecht in haar haar, zo lang dat deze speels haar billen raakte als zij over het school plein rende. Ik wist heel goed waarom zij huilde.

Het was er kil, in de koeling. Er waren wel rozen, bossen gele rozen, emmers vol, maar geen losse exemplaren en zeker geen witte of, eventueel, een rode. Al jaren tik ik mijn woorden op het toetsenbord. Het was niet omdat zij geplaagd en uitgescholden werd, Ilse, nee, daarom was het niet, zeker niet. Of, als ik onderweg ben en een inval krijg, op dat van de ipod.
Ik had een roos, de roze roos lag op de achterbank, maar als het zou lukken om toch nog een witte te bemachtigen of, eventueel, een rode, dan… Dus stapte ik weer in de auto. Wel is het zo dat zij geplaagd werd, Ilse. En uitgescholden. Elke dag opnieuw uitgescholden. Zoals gister, toen ik toevallig langs die school liep en de ipod uit de binnenzak van mijn jas tevoorschijn haalde.
Ik reed naar een buitenwijk, waar ik een kiosk wist, het assortiment was er niet groot, maar wellicht zouden ze rozen hebben, een witte of desnoods een rode. Al was de aanblik van het gebouw drastisch veranderd en was er flink bijgebouwd, het plein was er nog en ook nog enkele kastanjebomen. Ik klikte op het notitieblok, raakte het scherm aan om het toetsenbord tevoorschijn te toveren en tikte vier letters.
Ze waren net van de veiling gekomen, de rozen, maar ze lagen nog in de auto, helemaal onderin en nee, ze konden ze niet voor mij zoeken. Het waren witte. Voor zwarte. Ik had daar voor die school gestaan en haar naam getypt, vier letters: ILSE. Ilse werd uitgescholden voor zwarte, iedere dag opnieuw, maar het was daarom niet dat zij huilde, zo ongelooflijk hartverscheurend huilde, daar op die koude stenen gang waar nat de jassen hingen, honderden jassen, maar waar niemand was, helemaal niemand, alleen zij dan, alleen zij…
Het waren witte rozen die ik zocht, dus wachtte ik, tien minuten, een kwartier…. Ik zou er iets mee moeten doen, Ilse, het meisje van toen en de aantekening in het notitieblok zou mij eraan herinneren. Zij stond naast mijn bank, de juf, en boog zich over mijn schrift. De pen kraste zijn tafels op het papier en ik? Ik was op mijn hoede.
Ik liep op de bestelwagen af en vroeg de chauffeur of hij de rozen al naar binnen had gebracht, witte rozen zocht ik. Niemand schold haar nog uit, tenminste niet die dag, pas later weer, later kwam het in volle hevigheid terug, het pesten, het klieren, het schelden…

De chauffeur schoof enkele dozen aan kant, opende de onderste. Daar waren ze: Witte. …voor zwarte. Ik wist waarom zij huilde, Ilse, het meisje met net zulk glanzend zwart haar als dat van haar moeder. De juf wist het ook, maar over dood en verdriet werd niet gesproken, toen, daar in die klas.
Ik kocht een, er hoefde geen cellofaan om en legde de witte roos in de auto, op de achterbank, naast de roze. ‘Ga jij even naar de gang…’, had de juf gezegd.
Het moest een witte roos zijn. Snel legde ik mijn pen neer en schoof de bank uit, een beetje bang dat zij mij tot spoed zou manen door mij te trekken of te duwen, een beetje boos dat zij niet zelf ging, een beetje trots ook dat ik het was die haar mocht troosten, Ilse, mijn lieve, zo verdrietige vriendinnetje. ‘… zij maakt zo’n lawaai…’, had de juf gezegd.
De roze roos had ik mee naar huis genomen, ik had de steel schuin afgesneden en haar in een fles gezet, een groenachtig blauwglazen fles gevuld met water. ‘…die zwarte’, had de juf gezegd.
Op mijn bureau liggen enkele verdorde blaadjes. Als het toetsenbord zwijgt en ik er een tussen mijn vingers neem, knispert het.
De witte roos was voor Ilse, de roze bloeit nog steeds.