thialf

Het land is ondergelopen. Zou het gaan vriezen, dan kon je er schaatsen, als vroeger. Langs de kant stond een gebouw waar je de houtjes kon onderbinden, waar je chocolademelk kon kopen ook. De jongens kregen van meester op hun kop als ze het ijs opgingen en het hield nog niet, niet omdat ze er konden verdrinken, hoogstens een kletspoot, maar er zouden wedstrijden worden gehouden en dan moest de baan er goed bij liggen. Je won nooit, natuurlijk won je niet, je was als eerste af en met rode wangen stond je langs de touwen naar de prestaties van anderen te kijken, hen aan te moedigen.
Je weet de handschoenen in de jaszak, vingerhandschoenen, geen gebreide wanten met alleen een duim, zoals toen. Je hebt spijt dat je ze niet hebt aangetrokken toen je handen nog droog waren.
Zou de vorst invallen, dan kon je er schaatsen over ribbelend ijs. Putjes veroorzaakt door vogelpoep, stukjes ijs waar Jan het gebod van de meester had overtreden, een enkele barst, hier en daar zou er een strootje uit steken. Wie sterke enkels heeft kijkt enigszins verstoord achter zich, de handen gaan los als om een val op te vangen, maar het duurt niet langer dan een moment, dan liggen de handen alweer op de rug en met krachtige slagen vervolgt de schaatser zijn weg naar de finish, de anderen achter zich latend. Voor alle deelnemers is de ijsvloer even stroef, maar wie eerst is, is eerlijk eerst.
De storm slaat zijn striemen over het water. Eenden laten zich dobberen op de golven, tientallen eenden.