De republyk van Hans van der Heijde

fries boek zonder provinciale subsidie
een ‘boppeslach’

maart 2009

Hier besproken: De republyk van Hans van der Heijde

© Neat fan dizze webside mei oernaam en fermannichfâldige, publisearre of op in webside set wurde sûnder skriftlike tastimming fan de auteur.

van der heijde de republykJuni 2004 vroeg Ernst Bruinsma zich in dit tijdschrift af of de legitimearing van de Friese literatuur alleen in de taal zou moeten liggen ligt. “De literatuer dy’t ík Frysk neam,” zo schrijft hij, “fiert bewust of ûnbewust in krityske dialooch mei de fiksje dy’t ‘Fryslân’ hjit. Mar bart dat überhaupt noch wol? Wa fan de literêre skriuwers sprekt him op dit stuit noch, direkt of yndirekt, út oer moderne farianten fan de Fryske Beweging? Wa hat it yn syn romans of poëzij yngeand oer de problematyk fan de twataligens? Wa bekritisearret it bestjoer yn ús provinsje, it ûnderwiis, de arsjitektuer, de seksuele moraal en alderhanne oare maatskiplike ferskynsels? Wa skriuwt, yn de wurden fan Tom Lanoye, de soundtrack by ús tiid yn ús provinsje?”

Het heeft een paar jaar geduurd, maar met Van der Heijde’s 400 pagina’s tellende roman De Republyk over de opkomst en ondergang van een Vrije Friese Republiek krijgt Friesland zijn soundtrack bij onze tijd in onze provincie dan toch eindelijk aangereikt. Alleen de titel van het boek is Friestalig. De schrijver is politicoloog, geeft les aan de NHL en publiceert in het vakblad voor docenten maatschappijleer Maatschappij & Politiek over sociaal-politieke vraagstukken.  Zijn literaire debuut – een verhalenbundel – verscheen in 2004: Horizontale reizen.

een boek in een boek

De Republyk begint met een korte, gruwelijke scene, geschreven in de derde persoon enkelvoud en cursief gedrukt, waarin iemand in het slik van de Waddenzee het lijk van een man vindt.  Het kokertje dat de dode om zijn nek draagt, neemt hij mee. Vervolgens gaat het verhaal over naar het ik-perspectief. Wie de flaptekst niet leest – zoals ik – ondekt pas als het boek al bijna uit is dat het hier gaat om een manuscript dat zich in het plastic kokertje bevond. Hierin wordt opkomst en ondergang van de Vrije Friese Republiek beschreven en de rol die Sybe Sybesma als bedenker van de staatsvorm en de ikpersoon in het manuscript, als Sybesma’s rechterhand bij het zelfstandig worden van de voormalige provincie, hierbij hebben gespeeld. De vinder vertaalt de Friese tekst en voegt er zijn dagboekaantekeningen aan toe. Tot slot wordt het geheel, in de epiloog, als boek gepresenteerd.

De oorzaak van de onvrede bij de Friezen ligt in de afstand tussen politiek en burger en die tussen Den Haag en de regio, voetbalrellen vormen de aanleiding tot afscheiding van Nederland. Supporters van Ajax-2 vernielen na een wedstrijd in het Abe Lenstrastadion namelijk het monument waar de Friezen elk jaar de slag bij Warns herdenken. Door dit en enkele andere incidenten worden de Fries-nationalistische gevoelens opgezweept hetgeen ertoe leidt dat in het Colonhuis de Vrije Friese Republiek wordt uitgeroepen. Dichter-classicus en oud-leraar Sybe Sybesma, die overigens regelmatig in hotel ‘De Kalkoen’ te vinden is waar hij zijn oude klare drinkt, is de bedenker van de staatsvorm: geen democratie op grond van verkiezingen maar een democratie op basis van het gelijkheidsbegingsel. Elke Fries kan, evenals in het oude Athene, in aanmerking komen voor een bestuurlijke functie, niet door verkiezingen, maar door… loting.

Maar hoe reageert ‘Den Haag’? En hebben zittende bestuurders niet de neiging om aan het pluche te kleven? Hoe functioneren de media? En hoe moet het met de vliegbasis Leeuwarden en de daar geïnstalleerde F-16’s? Het bankwezen? De spoorwegen? De universiteit? Aan allerlei in Friesland spelende zaken, personen en sentimenten wordt aandacht besteed, toch is dit niet waar De Republyk om draait en het gaat ook niet om de liefdeslevens van Sybesma en zijn assistent die ook een rol in het verhaal spelen. Centraal staan twee zaken: wat gebeurt er wanneer (Fries)nationalistische sentimenten de overhand krijgen en daarnaast wordt het begrip democratie uitgebreid onder de loep genomen.

Zowel inwoners van de provincie als Friezen ‘om utens’ zullen in deze sleutelroman veel herkenbaars tegenkomen: de conservator Tom Saturn, het zingen van het Fries volkslied in het voetbalstadion en de vraag wie zich nu eigenlijk ‘Fries’ mag noemen. Deze laatste kwestie doet vaag denken aan een in 2005 door de Groep van Auwerk aangezwengelde discussie over nationaliteit en staatsburgerschap met betrekking tot het identiteitsbewijs.

Het zijn elementen die bijdragen tot de geloofwaardigheid van het verhaal en aangezien identiteit hier een (nog) sterkere rol speelt dan elders in het land kan het zich ook alleen maar in Friesland afspelen, maar het is uiteraard òòk de sountrack bij het Nederland waar de bevolking een kloof tussen burger en politiek ervaart en waar nationalistische sentimenten steeds sterker de kop opsteken.

Een uitermate sterk punt van De Republyk is dat de angst voor de Islam en ressentimenten tegen allochtonen in dit boek echter totaal geen rol spelen. Het wij-zij beperkt zich tot een onderscheid tussen Friezen en surrogaat-Friezen en een niet nader benoemde restcategorie bestaande uit iedereen die geen van beide is. Juist omdat de schrijver niet in de Wilders-val trapt, werkt de spiegel die Nederland – misschien noch wel meer dan Friesland – wordt voorgehouden des te sterker. Het gaat niet om buitenlanders, het gaat om ‘ons’ nationalisme en de mogelijkheid dat ‘wij’ een schurkenstaat zouden kunnen worden.

allen tegen allen

Terug naar het verhaal: Zodra de grondwet is aangenomen, vertrekt Sybesma naar Rotterdam en vervolgens naar Venetië. Zijn assistent reist naar Amerika om geld los te peuteren bij emigranten voor een eigen Friese universiteit. Het is één van de humoristische scenes in het boek: vanuit het idee Friese wortels te hebben wordt gul gegeven, maar Amsterdam, zo meent een emigrant die Friesland eigenlijk alleen maar van horen zeggen kent, is de hoofdstad van Friesland.

Het bezoek aan Amerika creëert afstand, tot de gebeurtenissen in de Republiek, maar vooral ook tot het door Sybesma bedachte democratische stelsel. Werden eerder de voordelen ervan breed uitgemeten, in redes, gesprekken, grondwetsvoorstellen, toelichtingen aan de pers, nu onstaat er twijfel over het bedachte concept: ‘Totnogtoe waren elk probleem en elke zorg gebagatelliseerd, weggewuifd en verdampt in de atmosfeer van een nationalistisch zelfvertrouwen, dat in zijn feestelijke beleving bijna manische trekken vertoonde. Maar de psychologische machinerie die dat op gang hield, was geen perpetuum moblie. Het kon niet anders of op zeker moment raakte de brandstof op. En met wat – ik durfde niet te denken: wie – zou het vuur onder de nationalistische ketels dan opgestookt worden?’ (blz 211)

Van Amerika reist de assistent door naar Sybesma in Venetië. Het blijkt dat er verschillend wordt gedacht over wat een Fries is. In de visie van Sybesma en zijn rechterhand is dat iedereen die in de Vrije Friese Republiek is gevestigd, ouder dan achttien is en zich als Fries Staatsburger heeft laten registreren. Aan het verkrijgen van het staatsburgerschap voor nieuwkomers zou alleen de voorwaarde verbonden mogen zijn dat de grondwet wordt onderschreven. In Friesland heeft zich ondertussen een Fries-nationalistische beweging gevormd die van mening is dat aan het staatsburgerschap een etnisch-Friese identiteit ten grondslag zou moeten liggen. Dat houdt dus in dat andersdenkenden dermate worden geterroriseerd dat zij in het nieuwe staatsbestel niet meer durven meeloten voor bestuurlijke functies. Om erger te voorkomen draagt Sybesma zijn assistent op amendementen op de grondwet te maken.

Sybesma zelf pleegt zelfmoord – het verhaal over zijn dood is trouwens al even hilarisch als eerder dat over het voetbalvandalisme – en zijn assistent keert terug naar De Republiek. Daar wordt hij gearresteerd en opgesloten in een parkeergarage, waar hij, naast het verrichten van dwangarbeid – van Nederlandse vlaggen Russische maken! -, ook zijn ervaringen met betrekking tot de afscheiding opschrijft.

De terreur van de Friese Beweging kent geen grenzen, Friesland wordt een schurkenstaat. Democratie op basis van het gelijkheidsbeginsel leidt tot de ‘oorlog van allen tegen allen’ van de filosoof Thomas Hobbes, mede omdat er altijd groeperingen zijn die de macht naar zich toetrekken: òf met bisonkit òf via geweld. Het is een ontwikkeling waarover George Orwell in Animal Farm (1945) schreef: ‘all animals are equal, but some animals are more equal than others’. Uiteindelijk, na militair ingrijpen, komt het allemaal ‘goed’ en wordt de Vrije Friese Republiek weer Friesland: een provincie van Nederland.

au

Wat enigszins verbaast is dat de schijver de naam ‘Sybe Sybesma’ koos als bedenker van de staatsvorm. Hans van der Heijde citeert een dichtregel en verwijst daarbij, in de verantwoording, naar de bundel En marge (1978) van Sybesma. De ‘echte’ Sybe Sybesma, dichter, classicus en liefhebber van jenever, stierf in 1986, in De Republyk leeft hij door tot in de tijd dat Nederland een koning heeft en ‘Kopsekant’ ministerpresident is. Wel heb ik mij even afgevraagd of de ‘echte’ Sybesma, die als zoon van Rintsje Piters de nodige emotionele deuken opliep door het SS-verleden van zijn vader, wel de juiste persoon is als inspiratiebron voor de volksmenner die het boekpersonage in de begindagen van de Vrije Friese Republyk is.  Van der Heijde heeft hiermee natuurlijk wel een kleurrijk figuur neergezet.

De roman bevat behoorlijk wat kritiek op de Friese samenleving. Daarnaast speelt het politicologische element een belangrijke rol, soms leidt dit tot een wat te zakelijke schrijfstijl. Maar is, in een recensie, commentaar op het boek te leveren? In zijn dagboek becommentarieert vertaler Asing Boshut het manuscript immers zelf al: “(…) Historiografie is een te groot woord. Een persoonlijk verslag? Dat doet het onrecht. sommige delen, vooral de eerste, vormen een tamelijk objectieve geschiedschrijving, zij het dat de slapstick, waar de auteur erg van schijnt te houden, zo ironiserend werkt dat geen lezer die voor helemaal serieus en waarheidsgetrouw zal verslijten.” Waarmee Hans van der Heijde de recensent van De Republyk alle wapens uit handen probeert te slaan.

De in De Republyk versleutelde figuren en vertegenwoordigers van instituties zouden wel eens ‘au’ kunnen roepen: De ministerpresident van Nederland, ‘Kopsekant’, bijvoorbeeld krijgt er behoorlijk van langs. Dat geldt ook voor de Friese media, de Friese Beweging en het subsidiestelsel voor Friese literatuur: “(…) wie ook maar een handvol plat sentiment in het Fries weet te verwoorden en te presenteren als poëzie, kon op subsidie voor publicatie rekenen (…)”. Na de ondergang van de Republiek verschijnt de geschiedenis ervan dan ook in de vertaalde versie want, zo vermeldt de epiloog: ‘Steun aan de Friese taal en cultuur is niet erg populair meer, ook niet in Brussel en Straatsburg.’

Niet alleen het in de roman vertelde boek verschijnt in het Nederlands, het Nederlandstalige De Republyk is meer dan welk Friestalig boek ook de ‘soundtrack by ús tiid yn ús provinsje’. Maar het is meer dan dat: het is òòk een Orwelliaanske allegorie die van een veel grotere betekenis is dan een spiegel voor de Friezen alleen.